Dossier Gratie levenslang; weghalen bij de Minister en onderbrengen bij de rechter

Op 7 januari 2021 overleed in de verpleegafdeling van het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) in Scheveningen de levenslanggestrafte N. op de leeftijd van bijna 83 jaar ‘aan ouderdom’. N. was in 1998 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens moord. Op zijn gratieverzoek, dat drie jaar eerder was ingediend, was nog steeds geen beslissing genomen.
N. is de derde veroordeelde die sedert de wijziging van het levenslangbeleid in de gevangenis aan ouderdom is gestorven. Dat is zoals de regering het graag ziet. Het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) en de Nederlandse rechter vereisen echter dat levenslanggestraften uitzicht hebben op invrijheidstelling. Het huidige beleid staat dan ook op gespannen voet met deze rechtspraak.

Wat houdt gratie in?

De mogelijkheid tot gratie is vastgelegd in de Grondwet. Gratie wordt verleend bij Koninklijk Besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van de wettelijke voorschriften. De Gratiewet geeft een nadere invulling aan de gronden voor gratieverlening. De grond voor gratieverlening aan (levens)langgestraften luidt dat gratie kan worden verleend als: “aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.”
Tot het begin van deze eeuw werd aan levenslanggestraften gratie verleend als dit mogelijk was, dat wil zeggen als vast stond dat de veroordeelden geen gevaar meer voor de samenleving opleverden. Er werd daarnaast een humaan detentiebeleid gevoerd, waarin het beginsel van minimale beperkingen en het resocialisatiebeginsel, centraal stonden. Dit gold zowel voor gedetineerden met een tijdelijke gevangenisstraf, als voor levenslanggestraften.

De historie rond de invoering van levenslang en een werkend gratiebeleid

Bij introductie van de levenslange gevangenisstraf in 1869 heeft de Minister van Justitie de mogelijkheid en de wenselijkheid van gratie uitdrukkelijk aan de orde gesteld bij de totstandkoming van de wetgeving. Men hield er rekening mee dat de levenslange gevangenisstraf te zwaar kon zijn, zwaarder dan de doodstraf, die zij zou vervangen. De Minister van Justitie wees bij de totstandkoming van de wetgeving specifiek op de mogelijkheid van gratieverlening, waarmee aan dat bezwaar tegemoet werd gekomen.
De praktijk was vanaf 1870 gedurende meer dan een eeuw in overeenstemming met de door de Minister gegeven toelichting. In alle gevallen waarin de levenslange gevangenisstraf was opgelegd maakte de mogelijkheid van gratieverlening deel uit van de tenuitvoerlegging. Gratie diende te worden ingezet ter voorkoming van het verlies van reclasseringskansen, aldus Minister van Justitie Samkalden in zijn uitleg aan de Tweede Kamer in 1957.

In 1975 vatte de Staatssecretaris van Justitie het Nederlandse gratiebeleid voor levenslanggestraften als volgt samen: ‘In het Nederlandse strafstelsel wordt een levenslange gevangenisstraf, opgelegd aan commune delinquenten, in het algemeen niet tot het einde toe ten uitvoer gelegd. Naar onze opvatting behoort een dergelijke tot vrijheidsstraf veroordeelde uitzicht te houden op terugkeer in de samenleving, zo dit mogelijk is.’ De ambtelijke praktijk op het Ministerie was neergelegd in de 'Volgprocedure langgestraften' van 1978. In 2000 werd deze Volgprocedure ingetrokken, dit als gevolg van de inwerkingtreding van de Penitentiaire Beginselenwet in 1999. Deze intrekking beoogde geen inhoudelijke maar slechts een organisatorische verandering met betrekking tot de bejegening van langgestrafte gedetineerden. In de praktijk bleek het verdwijnen van de Volgprocedure een opmaat te vormen naar een harde ommezwaai van het overheidsbeleid.

De ommekeer, 2004 en verder; een hardvochtig gratiebeleid, de miskenning van de overwegingen rond het invoeren van de levenslange gevangenisstraf

In 2004/2005 vond een kentering plaats in het beleid met betrekking tot levenslang. Sindsdien werd het beleid dat “levenslang ook echt levenslang is” en dus tot de dood moet worden ten uitvoer gelegd. Toenmalig Minister van Justitie en Veiligheid Donner stelde in 2004 naar aanleiding van Kamervragen: “de levenslange gevangenisstraf duurt (immers) in beginsel levenslang”.  De diverse Ministers en Staatssecretarissen hebben vanaf 2004 op verschillende momenten gesteld dat levenslang gewoon vastzitten is voor de rest van het leven. De detentie van levenslanggestraften is 'uiteraard' niet gericht op terugkeer in de samenleving, aldus Staatssecretaris Albayrak en Minister Hirsch Ballin in 2008 en 2009. Enig historisch besef over waarom en hoe levenslang tot stand is gekomen, ontbrak bij deze hardvochtige ommezwaai. Ook na stevige kritiek van het Europees Hof voor de Rechten van van de Mens (EHRM) op deze vorm van detentie hield de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Dijkhoff de Tweede Kamer voor: “Levenslang is wat het is: opsluiting voor de rest van het leven. Daar kiest de rechter bewust voor. Hij kan immers ook een tijdelijke gevangenisstraf opleggen. (…) Als een rechter oordeelt dat een levenslange gevangenisstraf passend is, dan keert de veroordeelde in beginsel dus niet meer terug in de maatschappij.

Uitlatingen als deze gedaan door bewindslieden zijn echter aantoonbaar misleidend en ronduit onwaar. Diverse vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en rechters die in het verleden levenslang hebben geëist en hebben opgelegd, hebben eenduidig kenbaar gemaakt zich niet te kunnen verenigen met deze opvatting van bewindspersonen. De bestaande en reële mogelijkheid van gratieverlening was voor deze magistraten immers een gegeven tentijde van het eisen van levenslang en het opleggen van levenslang.
Daarbij is ook van belang dat tot 2006 de maximale straf voor moord 20 jaren betrof of levenslang. Wilde de rechter dus meer straf opleggen dan 20 jaren (waarvan feitelijk uit te zitten tweederde deel) dan kon de rechter slechts grijpen naar levenslang. Vanaf 2006 kan de rechter kiezen tot het opleggen van een gevangenisstraf van maximaal 30 jaren of levenslang.

Een voorbeeld uit de praktijk: Het opleggen van levenslang en het besef van mogelijke gratieverlening voor de eeuwwisseling

Een voorbeeld uit de praktijk. In 1997 veroordeelde de rechtbank een verdachte van moord tot een gevangenisstraf van 10 jaren voor een moord gepleegd in 1993. Nu betrokkene na het plegen van de moord in een andere zaak was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, was het opleggen van de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaren niet meer mogelijk. In totaal zou immers alsdan 28 jaren zijn opgelegd, welke mogelijkheid de wet technisch gezien niet kende.  De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen: “De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen: (...) dat verdachte reeds meermalen voor geweldsdelicten is veroordeeld, waaronder tot een lange gevangenisstraf onder meer voor een poging tot doodslag. De rechtbank heeft bij het opleggen van de vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur rekening gehouden met de veroordeling van verdachte van 25 juli 1994 en het voor de onderhavige zaak in verband daarmee geldende strafmaximum.”

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting heeft het Openbaar Ministerie gevorderd dat de verdachte zou worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. Het gerechtshof heeft betrokkene, in afwijking van de eis van de procureur-generaal, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het gerechtshof motiveert: “(…) Het hof is van oordeel dat ook de maximaal toelaatbare tijdelijke gevangenisstraf, waarbij op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening dient te worden gehouden met de laatstvermelde veroordeling tot acht jaar gevangenisstraf, onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de overige omstandigheden zoals hiervoor vermeld en onvoldoende beveiliging biedt aan de samenleving. Met eenparigheid van stemmen en anders dan de procureur-generaal, is het hof derhalve van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van tijdelijke gevangenisstraf en dat verdachte moet worden veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Vervolgens is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad met in de kern de klacht dat als gevolg van de strafoplegging van het gerechtshof tot levenslang en gezien de nog uit te zitten andere straf van 8 jaren betrokkene veel meer dan 20 jaren in de gevangenis zal moeten doorbrengen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Jörg, waarna de door het gerechtshof opgelegde levenslange gevangenisstraf definitief werd. De advocaat-generaal heeft onder meer verwezen naar de mogelijkheid van het indienen van een gratieverzoek en de destijds geldende volgprocedure langgestraften: “(…) De ratio hiervan is volgens de wetgever dat zich een situatie kan ontwikkelen waarin met de verdere tenuitvoerlegging van de straf geen enkel in ons strafrecht erkend doel in redelijkheid meer wordt gediend, op grond waarvan een verkorting van de straf door middel van gratie verantwoordt wordt geacht. Gratie dient in de ogen van de wetgever, behalve als een daad van gerechtigheid, ook als een daad van barmhartigheid te worden beschouwd, (…). Op grond van die volgprocedure levenslanggestraften worden deze na één derde van hun straftijd aan een (nader) klinisch-psychologisch onderzoek onderworpen om te bezien of met een verdere tenuitvoerlegging in redelijkheid nog enig doel wordt gediend. Wanneer dat onderzoek negatief luidt kan hierin aanleiding worden gevonden ambtshalve gratie te verlenen. Ook veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf komen voor die procedure in aanmerking. (…).

De advocaat generaal verwijst hier naar een destijds geldende Volgprocedure, welke procedure vanaf 2000 is komen te vervallen. De levenslanggestraften zijn niet meer in aanmerking gekomen voor de in de Volgprocedure neergelegde mogelijkheden. Duidelijk is dat de betrokken magistraten er tentijde van het opleggen van levenslang vanuit gingen dat er een werkende gratieregeling bestond voor levenslanggestraften. Er bestaat nu, zoals ook uit nader te bespreken feiten blijkt, geen behoorlijk werkend gratiebeleid. Als het aan de huidige Minister ligt geldt voor deze levenslanggestrafte levenslang is levenslang, terwijl ten tijde van de oplegging van levenslang door alle betrokken partijen is aangegeven u komt in aanmerking voor gratie volgens bestendig humaan gratiebeleid. Voormeld voorbeeld uit de praktijk is slechts een van de vele nu aan de orde zijnde kwesties waar de bewindslieden liever niet over spreken. 

Is levenslang een doodstraf in slow motion / op termijn?

De levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op herbeoordeling van de strafgronden heeft veel weg van doodstraf, ten uitvoer gelegd in slow motion / op termijn. Advocaat generaal Knigge en de Hoge Raad waarschuwden de Staat in 2009 dat de gratiemogelijkheid geen dode letter mocht zijn, zulks onder andere naar aanleiding van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de tenuitvoerlegging van levenslang. Levenslang betekent nu afgeschreven worden, de dader is ontmenselijkt, uitgestoten, 'human waste'. Volgens het EHRM kan een dergelijk ongeclausuleerd, uitzichtloos levenslang uitlopen op een onmenselijke of vernederende bestraffing. Dat is een schending van het martelverbod neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . In de afgelopen jaren is de Nederlandse gratiepraktijk meer en meer onder druk komen te staan en werd de Nederlandse Staat naar aanleiding van diverse uitspraken van het EHRM gedwongen het gratiebeleid aan te passen. Het EHRM heeft geoordeeld dat er vooruitzicht op invrijheidstelling moet worden geboden. Er moet een mechanisme bestaan, waarmee getoetst kan worden of de veroordeelde zich voldoende heeft verbeterd en of hij nog gevaarlijk is. Deze toets moet in beginsel uiterlijk binnen 25 jaar na oplegging van de straf kunnen plaatsvinden. Getoetst moet worden: ‘of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd’.

Adviescollege Levenslanggestraften vanaf 2017

De Nederlandse Staat heeft, op aansporing van de Hoge Raad, getracht de (EHRM) bezwaren tegen de gratiepraktijk weg te nemen. In 2017 werd het Adviescollege Levenslanggestraften ingesteld. Levenslanggestraften kunnen vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie, na een daartoe strekkend advies van het Adviescollege Levenslanggestraften, in aanmerking komen voor resocialisatie en re-integratieactiviteiten. Uiterlijk twee jaar daarna beoordeelt de Minister ambtshalve een gratieverzoek. Het gerecht dat levenslang heeft opgelegd dient daarbij te adviseren. Nu het hier gaat om een levenslange gevangenisstraf adviseert ook het Openbaar Ministerie.
Zoals in de Gratiewet is opgenomen, kan gratie worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Van belang hierbij is het woord 'kan'. Dit houdt in dat aan de Minister een discretionaire bevoegdheid is toegekend om, ook na louter positieve adviezen van het Adviescollege, het gerecht en het Openbaar Ministerie, het gratieverzoek af te wijzen en geen gratie te verlenen ook al wordt met de voortzetting van de opgelegde straf geen na te streven doel in redelijkheid meer wordt gediend.

Weigering van gratie: Hoe ver reikt de bevoegdheid van de Minister?

Hoe ver reikt die discretionaire bevoegdheid van de Minister? Zo is in de Memorie van Toelichting te lezen dat de wetgever de gratiegronden allereerst in de gratiewet heeft opgenomen als houvast voor de veroordeelden. Het geeft de rechter die over het verzoek moet adviseren aanknopingspunten. Verder, volgens de wetgever, kan aan de hand van deze bepaling een werkbare inhoud worden gegeven aan het voorschrift dat beslissingen tot afwijzing van een verzoekschrift om gratie dienen te zijn gemotiveerd. In de toelichting volgt dat uit het gebruik van het woord 'kan' blijkt dat de veroordeelde geen afdwingbaar recht op gratieverlening heeft. De wetgever geeft aan dat de uitoefening van het recht van gratie behoort tot de bevoegdheid van de Kroon, in de praktijk de Minister. De Grondwet schrijft voor dat deze bevoegdheid slechts na advisering van de rechter kan worden uitgeoefend. Hiermee geeft de wetgever niet alleen het belang en het gewicht van de rechterlijke advisering aan, maar geeft ook een duidelijk signaal af dat ervoor gewaakt moet worden dat het gratierecht op een wijze wordt uitgeoefend waardoor op ongepaste wijze in de rechtspraak zou worden ingegrepen: “(…) Het gratie-instrument strekt er niet toe de Kroon in de gelegenheid te stellen van een van de rechter afwijkend inzicht te doen blijken omtrent de strafrechtstoepassing, doch om ertoe bij te dragen dat door de onafhankelijke rechter opgelegde sancties in overeenstemming met eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid ten uitvoer te worden gelegd.” De Hoge Raad herhaalde deze passage uit de wetsgeschiedenis nog eens in het arrest van van 6 november 2020. De Hoge Raad benadrukte op dat moment ook dat het advies van de rechter ‘leidend’ is en de Minister hiervan slechts kan afwijken als zich bijzondere omstandigheden voor doen.
Bewindslieden die voor de uitoefening van het gratiebeleid verantwoordelijk zijn, zijn daarnaast gebonden de beginselen van behoorlijke bestuur. Dus geen willekeur, maar consistentie in het beleid is een vereiste.

De doelen van strafoplegging, het advies van het Adviescollege Levenslanggestraften en de ruimte tot beslissen omtrent gratie 

Uit de geschiedenis van de Gratiewet en uit de rechtspraak van het EHRM blijkt verder dat met strafrechtstoepassing niet slechts één doel wordt nagestreefd, maar uiteenlopende doelen zoals: conflictoplossing, vergelding, inprenting van normbesef, generale preventie, beveiliging van de maatschappij en resocialisatie. Welk doel wordt nagestreefd, hangt af van de aard van het gepleegde delict, maar ook van de fase van de strafrechtspleging waarin de afdoening van een zaak zich bevindt. Het doel kan met het voortduren van de straf veranderen. 

Het Adviescollege Levenslanggestraften zal eveneens advies uitbrengen aan de Minister over het recidiverisico, de delict-gevaarlijkheid, het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende te detentie en de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding. Dit advies moet in samenhang worden bezien en niet op de onderdelen afzonderlijk.

Kortom, de ruimte die de Minister, om het verzoek om gratie te verlenen af te wijzen, toekomt, kan alleen worden toegepast met inachtneming van de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid én waarbij aan de adviezen van het gerecht en het Adviescollege groot gewicht moeten worden toegekend ter voorkoming dat op ongepaste wijze op de rechtspraak wordt ingegrepen.  Alleen in geval van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

Het Adviescollege Levenslanggestraften: niet meer dan een bliksemafleider?

Het Adviescollege Levenslanggestraften lijkt echter vanuit de regering slechts als bliksemafleider te zijn opgezet. Uitlatingen van de voor het instellen van het Adviescollege verantwoordelijke bewindsman inhoudende dat hij 'er alles aan zou doen om de aanpassing van de procedure zo in te richten dat de kans het grootst is dat de mensen hun hele leven zitten; ik wil niet dat de mensen vrijkomen', maken duidelijk dat men niet voornemens was om invrijheidstellingen te realiseren. Zo ook de huidige verantwoordelijke Minister Dekker, die bovendien ontevreden is over het werk van het Adviescollege Levenslanggestraften dat zijns inziens teveel positieve adviezen geeft in het voortraject van eventuele gratiëring. In de Toelichting op het Besluit rond het opzetten van het Adviescollege klinkt door dat het alleen de uitspraken van het EHRM en de Hoge Raad zijn die de Staat hebben gedwongen om in een perspectief mogelijke invrijheidstelling na herbeoordeling te voorzien. Dit, terwijl in het kader van de Raad van Europa een reeks publicaties zijn verschenen waarin het morele probleem van de levenslange gevangenisstraf uitvoerig aan de orde is gekomen. 

Dat de huidige bewindslieden van Rutte III levenslang daadwerkelijk levenslang willen laten zijn, blijkt uit het eerdere ingrijpen van bewindslieden in de zaak van de inmiddels met grote tegenzin gegratieerde Y (zaak ’t Koetsiertje). Meermaals heeft de penitentiaire rechter de bewindslieden moeten terugfluiten. In 2019 is een vierde gratieverzoek ingediend, waarop ondanks een positief rechterlijk advies negatief is beslist door de Minister. Diverse kort-gedingen met hoger beroep hebben er toe geleid dat de Minister Dekker in januari 2021 met de groots mogelijke tegenzin alsnog gratie heeft verleend. Een andere uitkomst was niet meer mogelijk zoals ook de Minister inzag. De Minister was onder andere bang dat rechters in de toekomst geen levenslang meer zouden willen opleggen.

Opstappen leden Adviescollege Levenslanggestraften?

Dat de Minister in de praktijk doortimmerde adviezen meerdere malen niet opvolgde, heeft geleid tot zorgen bij het Adviescollege Levenslanggestraften. Leden van het Adviescollege dreigen momenteel nu in 2021 met opstappen. "Als uiteindelijk blijkt dat er nooit gratie wordt verleend, kan er een prachtige regeling zijn, maar biedt dat voor levenslanggestraften geen perspectief", heeft voorzitter Samson van het Adviescollege recent gezegd. "Wij komen met afgewogen adviezen, maar als dat niet serieus wordt genomen, dan kun je er beter mee ophouden. Ik merk aan de leden dat het op een gegeven moment zo ver kan komen." (NPO1).
Eens temeer rijst de vraag of de Minister eigenlijk wel een rol dient te hebben bij het beoordelen van re-integratie, (voorwaardelijke) invrijheidstelling of gratie bij levenslanggestraften. 

Tijd voor een toetsingsrechter: De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deskundigen, magistraten, politici, advocaten en vele anderen pleiten voor een beoordeling rond een mogelijke (voorwaardelijke) invrijheidstelling door de rechter in plaats van de Minister. De penitentiaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is hiervoor het aangewezen forum. Dit rechterlijk college behandelt als enige gerechtshof in Nederland hoger beroepszaken op het gebied van penitentiair recht, te weten: hoger beroepen van uitspraken over verlenging van tbs. Deze maatregel wordt opgelegd als iemand een ernstig misdrijf heeft gepleegd en een psychische stoornis heeft waardoor betrokkene een gevaar voor de samenleving oplevert.
Dit multidisciplinaire rechterlijk college is gezien haar bestaande werkzaamheden als geen ander in staat om staat om een totaal afweging te maken van alle van belang zijnde aspecten rond resocialisatie, re-integratie en mogelijke definitieve invrijheidstelling.
Niet de Minister maar dit rechterlijk college is met de juiste middelen toegerust om de belangen van en omstandigheden rond slachtoffers /nabestaanden mee te wegen. Slachtoffers/nabestaanden reageren zeer divers na te zijn geconfronteerd met levensdelicten. Sommigen vergeven het de dader nooit, anderen hebben vergeving geschonken. Aangegeven wordt 'de dader heeft levenslang, maar wij ook'. Anderen hebben het vreselijke gebeuren na verloop van tijd een plaats weten te geven in hun leven. De hier te maken afwegingen passen nu juist in het rechterlijk domein. De rechter is de aangewezen partij om vast te stellen wanneer de daad voldoende is vergolden. “Het serieus nemen van het verschrikkelijke, niet zelden voortdurende, leed van de getroffenen betekent niet automatisch dat daardoor de kans op re-integratie van de levenslanggestrafte vermindert,” aldus een lid van het Adviescollege Levenslanggestraften.

De beoordeling van de vraag of voortzetting van de levenslange gevangenisstraf nog een redelijk doel dient, moet bij de Minister worden weggehaald. Immers als er één partij ongeschikt is voor een objectief oordeel over de vraag of de vergelding voldoende is geweest, is het wel de Minister. De Minister beweegt zich in een partijdige omgeving waarin voortdurend politieke rekeningen worden opgemaakt. De Minister zit in feite vast in diens partijdige en politieke omgeving en is in het geheel niet toegerust met de kennis, de ervaring en het gereedschap dat de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel heeft.  
Bij de huidige stand van zaken waarbij de Minister procedure na procedure verliest van levenslang gestraften, waarbij de druk vanuit het EHRM op Nederland om zich te conformeren aan een humane tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf onverminderd hoog blijft en waarbij een reëel perspectief op invrijheidstelling mogelijk moet zijn, en waarbij nu zelfs leden van het Adviescollege Levenslanggestraften dreigen op de stappen omdat de Minister de zeer deskundige en wel overwogen adviezen naast zich neerlegt, is een grondig en serieus debat over overdracht van een beslissing over de invrijheidstelling van de Minister aan de multidisciplinaire samengestelde penitentiaire strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geboden.

Wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de aanpassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling voor levenslanggestraften

De Stichting Forum Levenslang heeft in 2011 een wetsvoorstel geschreven en gepresenteerd aan bewindslieden, Kamerleden en overige betrokkenen over hoe een verantwoorde en evenwichtige wettelijke regeling rond de (voorwaardelijke) invrijheidstelling er uit zou kunnen zien. In dit wetsvoorstel wordt het dossier levenslang weggenomen bij de Minister en ondergebracht bij de rechter. Dit wetsvoorstel uit 2011 is nu, gezien al hetgeen hiervoor besproken, meer actueel dan ooit. Lees hier het wetsvoorstel van Stichting Forum Levenslang.  
Stichting Forum Levenslang gaat graag in gesprek met bewindslieden, Kamerleden, ambtenaren van het Ministerie en andere betrokkenen over het door Stichting Forum Levenslang neergelegde wetsvoorstel.

 

Den Haag, april 2021

Bob Kaarls, lid kerngroep Stichting Forum Levenslang

 

Over Stichting Forum Levenslang

Op 20 juni 2008 is het ‘Forum humane tenuitvoerlegging levenslange gevangenisstraf’ opgericht (kortweg: het Forum Levenslang). De deelnemers zijn veelal vanuit hun professie betrokken bij de levenslange gevangenisstraf. Zij zijn onder meer afkomstig uit de rechterlijke macht, het openbaar ministerie, de advocatuur, de medische en geestelijke verzorging of uit de wetenschapswereld. Het Forum Levenslang zet zich in voor zowel het bieden van perspectief op invrijheidstelling als het voorkomen van detentieschade.
De aanleiding voor de oprichting van dit Forum was de forse stijging van het aantal opleggingen van levenslange gevangenisstraf én de wijziging van het beleid rond de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf. Die beleidswijziging vond rond 2004 plaats. Door de wijziging veranderde de levenslange straf in een straf die – wat de bewindslieden betreft – in beginsel daadwerkelijk levenslang moest duren. “Levenslang is levenslang” werd het motto. Op dit moment verblijven circa 50 levenslanggestraften in deze uitzichtloze situatie.
Tot 2004 kon een levenslange gevangenisstraf eindigen met een voorwaardelijke invrijheidstelling als dat uit oogpunt van veiligheid mogelijk was. Zo was het onder dit ‘oude’ beleid de gewoonte om na vijftien, later zelfs na tien jaar, te onderzoeken of het nodig was de straf voort te zetten. Dan werd gekeken of een detentieplan kon worden uitgestippeld om de voorbereiding op eventuele terugkeer in de samenleving mogelijk te maken.
Het beleid sinds 2004 roept vele vragen op, vragen van feitelijke, juridische, medische en levensbeschouwelijke aard. Het Forum Levenslang probeert op die vragen antwoord te geven.
Lees meer op de website van Stichting Forum Levenslang